Als ik kon toveren, kwam alles voor elkaar
Als ik kon toveren, liep niemand meer gevaar
Als ik kon toveren, kon toveren, kon toveren, kon toveren
Dan hielden alle mensen van elkaar

Ieder huis had honderd kamers
In elke kamer stond tv
En haar ouders bleven eeuwig leven
En ze leefde met ze mee

De rivier was niet van water
Maar van sinaasappelsap
En ze zou niet hoeven leren
Want ze werd vanzelf knap

Er was eens een huis met een gezin
Dat ging van drie naar twee naar één

Als ik kon toveren, kwam alles voor elkaar
Als ik kon toveren, liep niemand meer gevaar
Als ik kon toveren, kon toveren, kon toveren, kon toveren
Want als ik kon toveren, wordt elk sprookje waar

(Hocus pocus pilatus pas)
(Hocus pocus pilatus pas)
Waar (hocus pocus pilatus pas)
(Hocus pocus pilatus pas)

Haar vriendje zou ineens begrijpen
Waarom ze ruzie met ′m kreeg
En iedereen zou voor haar buigen
Als zij de troon besteeg

En 's winters lag er altijd sneeuw
En was het lekker warm
En niemand werd er rijk geboren
En niemand werd er arm

Er was eens een huis met een gezin
Dat ging van drie naar twee naar één

Als ik kon toveren, kwam alles voor elkaar (oh)
Als ik kon toveren, liep niemand meer gevaar (nee)
Als ik kon toveren, kon toveren, kon toveren, kon toveren
Want als ik kon toveren, wordt elk sprookje waar

(Hocus pocus pilatus pas)
(Hocus pocus pilatus pas)
Waar (hocus pocus pilatus pas)
(Hocus pocus pilatus pas)

(Hocus pocus pilatus pas)
(Hocus pocus pilatus pas)
(Hocus pocus pilatus pas)
(Hocus pocus pilatus pas)

Powered by musixmatch